Gehandicapten en ‘dollen’
In deel 2 van de Doronburc trilogie, Lammerkinderen, vertel ik een aangrijpend verhaal over de heksenjacht en de strijd van degenen die als 'Lammerkinderen' worden bestempeld. Kinderen met downsyndroom, zoals de zesjarige Corneel, kinderen met epilepsie, zoals de lieve Helena. In die tijd had niemand daar echter een naam voor. Of kinderen die door een aangeboren afwijking bijvoorbeeld vingers missen zoals elfjarige Anna. Of alleen al vanwege het feit dat iemand niet praat, zoals mijn lieveling uit het verhaal, de tienjarige Ysbrand. Het leven was hard in het verleden, zeker voor mensen die anders waren dan de standaard.
Zonde of kind van God?
Hoe men naar een kind met een handicap keek, hing af van de tijd en de plek. In het oude Rome werden pasgeborenen met een handicap soms verdronken, een daad die de filosoof Seneca nuchter een kwestie van verstand noemde. Het christendom gaf deze kinderen wel een wettelijk recht op leven, maar in de praktijk werden ze vaak te vondeling gelegd. In de middeleeuwen zag men een handicap vaak als gevolg van de zonde van de ouders. Er was ook een andere gedachte: volgens sommige historici golden mensen met een (verstandelijke) beperking als ‘kinderen van God’ die vrij mochten rondzwerven, tot die opvatting na de Hervorming verdween.
Kinderen die konden werken werden op boerderijen geplaatst. Wie dat niet kon, belandde vaak bedelend op straat, soms in groepen die van stad naar stad trokken, naar pelgrimsoorden en jaarmarkten, en die het hoofd boven water hielden dankzij de voedseluitdelingen van steden en kloosters. Kloosters en gasthuizen boden sommigen onderdak.
Als een beest in een kooi
In de middeleeuwen waren er aanvankelijk geen aparte instellingen voor ‘dollen’. Wie niet door zijn familie werd verpleegd, kon bij een particulier worden ondergebracht. Vaak hield dat niet meer in dan een getimmerd hok. Het grootste deel van de zorg bleef bij de familie liggen.
Het dolhuis
Pas tegen het einde van de middeleeuwen, in de loop van de vijftiende eeuw, kwamen de eerste dolhuizen. Groeiende steden wilden hun inwoners beschermen tegen mensen die overlast gaven, en het begrip ‘krankzinnig’ was daarbij zo ruim dat ook epilepsie, asociaal gedrag of oproerigheid eronder kon vallen. Men maakte onderscheid tussen krankzinnigheid: een tijdelijke staat waarin iemand zijn verstand verliest, en ‘simpelheid’: wat wij nu misschien zwakbegaafd zouden noemen. Plek was er weinig: een van de eerste dolhuizen van Nederland, het Bossche dolhuis Reinier van Arkel, telde in de vijftiende eeuw maar twaalf plaatsen. Wie geen plek kreeg kon op straat belanden en in het ergste geval werd je ervan verdacht een heks te zijn.
Een dolhuis werd bestuurd door regenten en regentessen, aangesteld door het stadsbestuur. Voor het dagelijks toezicht zorgden de binnenvader en binnenmoeder, die vaak een eigen woning in het pand hadden. In mijn verhaal is dat Zuster Gisele. Wat je van haar als persoon vindt, laat ik aan jou over.
Het Oude Dolhuis aan de Sint Agnietenstraat te Leiden.
Getekend door Leo K. Zeldenrust.
Gekken kijken
De eerste inkomsten kwamen van de dolhuiskermis en van bezoekers die betaalden om de patiënten te komen bekijken, in Utrecht bijvoorbeeld op de dinsdag na Pasen. In de loop van de achttiende eeuw werd dit verboden.
Zo beleeft de kleine Ysbrand een kijkdag in Lammerkinderen:
"Kassier voor het Dolhuys. Dat is mijn taak voor vandaag. Ik weet niet wat het betekent, maar nu ik hier zo zit, begrijp ik maar al te goed dat ze me een van de betere klusjes hebben gegeven. Misschien heeft het ook zo zijn voordelen als je niet praat. Kun je ook niets verkeerds zeggen. Niemand tegen je in het harnas jagen.
Het nieuwe kind zit achter tralies. Dat is misschien maar goed ook, ze trekt de spijlen nog net niet uit het frame. Dat kind is zo sterk als een paard. Er is me uitgelegd dat er mensen komen kijken naar enkele kinderen. In al mijn naïviteit heb ik gedacht dat ze kinderen willen adopteren, maar dan hebben ze toch echt de verkeerde in de etalage gezet. Het nieuwe kind bevestigt dat door hangend in de tralies hard te gillen. Ik grinnik. Wat zou het heerlijk zijn om eens zo hard te gillen. Maar ergens vind ik het ook sneu voor het meisje. Het lijkt wel een wild dier dat opgesloten zit voor ieders veiligheid.
Nee, het gaat om de dollen, de krankzinnigen. Mensen komen hier voor vermaak. Voor me staat een tiental toeschouwers in een rij. Zelfs in een winterse bui willen ze 'gekken kijken'. Ik ril. Of dat komt door de aanblik van het doordraaiende kind of de kou weet ik eigenlijk niet zo goed."
Fragment uit Lammerkinderen
Een verkeerd beeld
Was het echt zo slecht allemaal? Ja en nee, de waarheid zal ergens in het midden liggen. Net als de vele gruwelijkheden die mensen toebedeeld hebben aan de middeleeuwen (waar ik graag gebruik van maak in mijn boeken) blijkt ook hier de vork iets anders in de steel te zitten. Hoe goed de zorg was, verschilde sterk per instelling, en men wist niet beter. Vergeet daarbij ook de tijdsgeest niet. Wat zij toen als ‘normaal’ bestempelden, wordt nu niet meer geaccepteerd. Het grootste deel van de zorg vond plaats in de samenleving, vaak door de familie of bij particulieren, en het was de uitzondering dat iemand in een dolhuis terechtkwam.
Verandering
Pas in 1841 kwam de eerste Krankzinnigenwet, die regelde wie in een gesticht mocht worden opgenomen en onder welke voorwaarden. Het was een begin, al gold ze zelfs voor tijdgenoten niet als bijzonder vooruitstrevend. De oude dolhuizen werden gesloten of verbouwd.