De jacht op heksen en de vervolging daarvan is groot thema in Duivelsdochters. Wat dat precies inhield lees je in Heksenvervolging in de middeleeuwen, wat dus eigenlijk pas ná de middeleeuwen was.
Dat de mensen er in de eeuwen hiervoor een aparte denkwijze op na hielden, blijkt uit enkele voorbeelden uit het zuidoosten van Brabant, mijn geboortegrond. Enkele van de toenmalige Heren waren namelijk fervente heksenjagers.
Griet Mijnsheren: de pot babyvet
Zo werd de 90-jarige demente Griet Mijnsheren, beschuldigd van het bewaren van een pot met babyvet. Het babyvet (gemaakt door het koken van pasgeboren en ongedoopte jongetjes) zou door de heksen gebruikt worden in de vliegzalf waarmee ze naar verafgelegen heksensabatten zouden kunnen vliegen. Op de Strabrechtse Heide staat de Hoenderboom, de grenspaal van de vijf gemeenten die hier in de renaissance samenkwamen.
Vrouwen die na de waterproef tijdens martelingen toegaven dat ze potjes babyvet brouwden als brandstof voor snelle bezemvluchten naar hun heksenfeesten, en om genade vroegen, werd door de gemeenschap een kleine gratie verleend. Ze werden niet levend verbrand op de heide, maar werden eerst gewurgd bij de grenspaal waar iedereen welkom was om te kijken hoe deze heksen, tezamen met de duivel, gillend hun einde vonden. Zo ook Griet Mijnsheren.
Het babyvet heb ik verwerkt in mijn boek Schaduwverwanten. Dat lijkt misschien een fictief stukje uit mijn verhaal, maar het berust dus echt op waarheid. Tenminste op het feit dat mensen het destijds dachten.
Jenneke Goessens: één naam, vijftien arrestaties
Jen (Jenneke) Goessens uit Leende werd van hekserij beschuldigd en bij de waterproef bleef ze drijven, waarmee haar schuld vaststond. Bij het verdere verhoor werd zij gedwongen om de namen van andere heksen te noemen, waarop acht arrestaties in Mierlo en zeven in Lierop volgden. Binnen een week werden de vonnissen uitgevoerd: in ieder geval vijf vrouwen werden in Mierlo op 18 september 1595 terechtgesteld. De vrouwen werden eerst gewurgd en daarna verbrand, mogelijk bij de Hoenderboom op de Strabrechtse Heide.
Anna Ceelen: de kerkers van Kasteel Asten
De inmiddels door klimplanten doorboorde ruïne Kasteel Asten, was ooit het kasteel van heer Bernard van Merode. In de vochtige kerkers van zijn huis hield de 25-jarige Bernard vrouwen vast die hij niet vertrouwde. Het was er van overtuigd dat zijn dorpsgenoot Anna Ceelen de koeien tot stervens toe betoverde, zo dacht hij. Op zoek naar ingebrande duivelsmerken op haar lijf, werden Anna’s hoofd en venusheuvel kaalgeschoren voordat ze naar de martelkamer werd gebracht. Als een van de weinige vrouwen is de brandstapel haar bespaard gebleven, ze stierf al aan haar verminkingen die haar toegebracht waren in de slotkelder.
De waterproef bij de Stipdonkse watermolen
Soms moet je niet al te lang stilstaan bij wat er in je eigen woonplaats gebeurde, maar toch is het juist goed om er soms wel bij stil te staan. De waterproef vond plaats bij de Stipdonkse watermolen. Want hoe kwam je te weten dat vrouwen heksen waren? Hoe ving je een glimp op van de duivel? Aan de Zuid-Willemsvaart bij Helmond (op de plek waar nu sluis 9 ligt) stond ooit de watermolen van buurtschap Stipdonk. In de nazomer van 1595 werden hier minstens vijftien vrouwen onderworpen aan de waterproef. Met handen en voeten aan elkaar geknoopt werden ze dubbelgevouwen in de waterkolk geworpen om te zien of ze zonken of bleven drijven. Het merendeel bleef drijven. Dat was voor velen onomstotelijk bewijs dat de duivel in hun lichaam huisde.
Bezoek de plekken: de heksenroute
Wil je meer weten en deze plaatsen bezoeken? Doe dan de heksenroute van Land van de Peel. Een fietsroute (inclusief audiotour) die je door het Brabantse landschap leidt langs locaties uit de geschiedenis van de heksenjacht van 1595: brandstapels, ruïnes van kastelen waar vrouwen in kelders gemarteld werden, de drassige velden waar ze gedanst zouden hebben met de duivel.